Fokken en genetica

Wie verantwoord wil fokken met honden, krijgt te maken met genetica. Welke honden kun je het beste met elkaar combineren om zo min mogelijk kans te hebben op inteelt en erfelijke ziektes? Wanneer je honden van verschillende rassen kruist, is het minder belangrijk om genetisch onderzoek te doen dan wanneer je honden van hetzelfde ras kruist. Waarom?

De basis van genetica

Alle eigenschappen van een hond liggen vastgelegd in zijn DNA. DNA bestaat uit twee strengen bio-organische verbindingen (nucleotiden) die samen alle erfelijke informatie van de hond bevatten. De ene streng wordt doorgegeven via de moeder, de andere via de vader.

Een gen is een stukje DNA dat de genetische code bevat voor één of meerdere eiwitten. Eiwitten vervullen uiteenlopende biologische functies. Ze kunnen bijvoorbeeld een erfelijke eigenschap tot uiting brengen, zoals de kleur van de vacht.

Van een gen kunnen verschillende varianten voorkomen, bijvoorbeeld voor een bruine vacht of een zwarte. Die varianten worden allelen genoemd. Omdat een gen uit twee strengen nucleotiden bestaat (een van de vader en een van de moeder), is het mogelijk dat het ene allel hetzelfde is als het andere. In dat geval wordt gezegd dat een hond homozygoot is voor de betreffende eigenschap. Als de allelen verschillend zijn, is hij heterozygoot voor de betreffende eigenschap. Een variant kan een andere eigenschap opleveren, maar ook leiden tot een ziekte.

pups met  moeder

Een erfelijke aandoening

Een erfelijke aandoening is een ziekte of afwijking die van ouder op kind wordt doorgegeven door een verandering (mutatie) in de genen. In natuurlijke omstandigheden heeft slechts een heel klein deel van een populatie een erfelijke aandoening. Maar als mensen dieren gaan fokken en selecteren op (uiterlijke) kenmerken, wordt het anders. Ongeveer één op de tienduizend mensen heeft een erfelijke ziekte; dat is 0,01 procent. Bij rashonden ligt dit (afhankelijk van het ras en de aandoening) tussen de 5 en de 50 procent. Vele malen hoger dus.

Bij Cupidog mogen matches tussen twee ouderhonden uitsluitend worden gemaakt als de honden voor minder dan 50 procent uit hetzelfde ras bestaan. De kans op een erfelijke aandoening is kleiner bij het kruisen van twee honden van twee verschillende rassen, dan bij het kruisen van twee honden van hetzelfde ras.

Erfelijke ziektes kunnen op verschillende manieren worden overdragen:

  • Enkelvoudig recessief overervende aandoening: een hond kan de ziekte alleen krijgen als hij van beide ouders hetzelfde afwijkende allel krijgt.
  • Enkelvoudig dominant overervende aandoening: een hond hoeft maar van één ouder een afwijkend allel te krijgen om de ziekte te krijgen.
  • Geslachtsgebonden aandoening: óf teven óf reuen hebben kans op de aandoening.
  • Polygenetische erfelijke aandoening: er zijn meerdere genen betrokken bij het ontstaan van de ziekte; het is heel lastig om de kans op zieke of gezonde individuen in te schatten.

De manier van overdragen zegt iets over de kans dat een dier de ziekte krijgt.

Overerving van erfelijke aandoeningen

Een individu kan voor een erfelijke ziekte vrij, drager of lijder zijn. Een hond die vrij is, heeft de ziekte niet en kan de genetische afwijkingen ook niet doorgeven aan zijn nakomelingen. Een drager heeft één gezond en één ziek gen. In geval van een recessief overervende aandoening is hijzelf niet ziek, maar kan hij de ziekte wel doorgeven. Een lijder heeft twee afwijkende genen en kan de ziekte zelf krijgen. Een lijder geeft de ziekte altijd door aan zijn kinderen.

Het gebruiken van lijders in de fokkerij is zeer af te raden. Zoals in figuur 1 te zien is, zal een combinatie van lijders zieke individuen voortbrengen.

figuur 1 combinaties van genen

 

Inteelt

De genenpool waarin gefokt wordt bij rashonden is meestal gesloten: dat houdt in dat er geen niet-verwante ouderhonden bij komen. De rashonden zijn voor een groot deel van de genen homozygoot. Als een gen homozygoot wordt doordat vader en moeder een allel doorgeven van een gemeenschappelijke voorouder, wordt dit ‘inteelt’ genoemd. Rashonden zijn voor meer genen homozygoot dan kruisingen, waardoor ze niet alleen heel erg op elkaar lijken, maar ook een grotere kans hebben op een erfelijke ziekte. Daarnaast leidt inteelt tot inteeltdepressie, wat betekent dat zowel de vruchtbaarheid als de vitaliteit van de honden afneemt.

In een gesloten populatie kan het soms nodig zijn om dragers (en in uitzonderlijke situaties ook lijders) van een recessief overervende aandoening in te zetten, om te voorkomen dat de variatie in andere genen anders nóg meer verloren zal gaan. Dit kan alleen als de drager of lijder gecombineerd wordt met een hond die vrij is van de betreffende ziekte. Om de variatie in een genenpool te vergroten en de kans op zieke individuen te verlagen, kan outcross worden toegepast: er wordt dan een hond van een ander ras gebruikt om mee te fokken, zodat de genenpool van het ras verbreed wordt.

Dalmatiër en kruising

 

Testen op erfelijke aandoeningen

Er komen steeds meer DNA-testen beschikbaar om erfelijke aandoeningen op te sporen. Met een test kan vastgesteld worden of een hond lijder, drager of vrij is van een erfelijke ziekte. Veel DNA-testen zijn voor een specifiek ras ontwikkeld, wat betekent dat ze niet zomaar gebruikt kunnen worden bij honden van andere rassen, of kruisingen. Als er geen test beschikbaar is voor een bepaalde aandoening, kan de dierenarts soms toch vaststellen (of inschatten) dat een hond lijdt aan een erfelijke aandoening. Zoals bijvoorbeeld door middel van het ECVO-onderzoek [1], waarbij de ogen van een hond door een oogarts getest worden op verschillende erfelijke ziektes.

DNA helix blauw

Een open populatie leidt tot minder erfelijke aandoeningen

Bij Cupidog worden uitsluitend kruisingen gefokt. De populatie blijft open, doordat er steeds niet-verwante ouderhonden bij komen. Ook worden afstamming en relevante ziektegeschiedenis van de nakomelingen bijgehouden. Zo wordt de genendiversiteit bewaakt, en de kans op erfelijke aandoeningen verkleind.

De kans op een erfelijke aandoening is bij een kruising veel kleiner dan bij een rashond, maar niet nul. Het kan dus voorkomen dat er toch pups worden geboren met een erfelijke aandoening. Eigenaren van Cupidog-pups worden daarom verzocht relevante ziektes door te geven, zodat de gegevens kunnen worden opgenomen in de database, en honden waar nodig uitgesloten kunnen worden van de fok.

De genetische cirkel van Parker (figuur 2) wordt gebruikt om te zien in welke mate twee verschillende (ras)honden genetisch verwant zijn. Om gezonde honden te krijgen, is diversiteit in genen nodig; het is daarom verstandig om voor een match te kiezen tussen honden van verschillende kleuren uit deze cirkel. Er is dan weinig kans op aanwezigheid van dezelfde erfelijke ziektes. In het geval van een match wordt met behulp van de RashondenWijzer gekeken of er gezamenlijke erfelijke ziektes voorkomen.

Dezelfde erfelijke ziekte kan bij twee honden zijn ontstaan door een mutatie in verschillende genen. Bij het kruisen van deze twee honden kunnen er geen homozygote nakomelingen geboren worden voor die ziekte. Maar als blijkt dat bij de rassen van beide honden een aandoening voorkomt die door een mutatie van hetzelfde gen wordt veroorzaakt, eist de Cupidog-commissie aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld een DNA-test.

Een voorbeeld van zo’n kruising is die van een Labrador Retriever met een Golden Retriever. Twee verschillende rassen, maar wel sterk verwant aan elkaar. Progressieve retina atrofie (PRA) komt namelijk bij beide rassen voor op hetzelfde gen (H700 prcd PRA).

Een voorbeeld van een kruising waarbij een aandoening op verschillende genen ligt – en er dus geen aanvullend onderzoek nodig is – is die van een Labrador Retriever met een Border Collie. PRA komt bij beide rassen voor, maar op andere genen. (Bij de Labrador Retriever op H700 prcd PRA en bij de Border Collie op H801 rcd2 PRA). Bij kruising van deze rassen kunnen er dus geen homozygote nakomelingen voor PRA geboren worden.

 

Cirkel van Parker

Figuur 2: Cirkel van Parker et al 2017

[1] ECVO staat voor European College of Veterinarian Ophthalmologists.